CASE:
gebruik foto bekend overleden familielid voor biografie

portretrecht foto omslag biografie met redelijke vergoeding


gebruik foto overleden familielid voor biografie

Beschrijving case

De nabestaanden hebben de eiser de exclusieve rechten verleend voor de exploitatie en handhaving in en buiten rechte van het portretrecht van een overleden en bekend familielid. De gedaagde is een uitgeverij van boeken. In januari 2017 heeft zij een boek uitgegeven, te kwalificeren als een biografie. Op de omslag van het boek staat de betreffende foto. Het boek is met een andere omslag maar een min of meer vergelijkbare inhoud in januari 1996 eerder uitgegeven. De eisers hebben voor het gebruik van de foto geen toestemming verleend aan de gedaagde, die daar ook niet om heeft verzocht.

Op 2 maart 2017 sommeert de advocaat van de eisers de gedaagde om een vergoeding te betalen voor de openbaarmaking van de foto. In een brief van 22 december 2017 biedt de gedaagde, onder voorbehoud van rechten en zonder erkenning van de rechten van de eisers, aan om een vergoeding te betalen van 10% over de netto omzet van het boek.

Het geschil

De eisers vorderen na wijziging van eis – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht verklaart dat de nabestaanden een redelijk belang hebben om zich te verzetten tegen de publicatie en verspreiding van het boek met de foto op de omslag en dat dit boek inbreuk maakt op de portretrechten van het familielid en daardoor onrechtmatig is jegens de nabestaanden;

- de gedaagde veroordeelt om de inbreuk op de portretrechten van het familielid te staken en gestaakt te houden; en,

- de gedaagde veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 15.000,00 en 14% van de tot nu toe met de verkoop van het boek behaalde bruto omzet

Daarnaast hebben de eisers een aantal nevenvorderingen ingesteld.
- subsidiair: de gedaagde veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 15.000,00 en een bedrag van 14% van de met de verkoop van het boek behaalde bruto omzet, te betalen in halfjaarlijkse termijnen te rekenen vanaf de eerste publicatiedatum.
- primair en subsidiair: de gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

Argumentatie geschil

De eisers doen een beroep op het portretrecht van het familielid. Het belang van de eisers bij eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van het familielid weegt zwaarder dan het belang van de gedaagde bij de openbaarmaking van de foto. Daarom voeren de eisers aan dat zij een redelijk belang hebben zich tegen de verspreiding van het portret te verzetten, met name gelegen in de verzilverbare populariteit van het familielid. Hierbij geldt dat de gedaagde voorafgaande aan de openbaarmaking geen redelijke vergoeding heeft aangeboden. De vergoeding van 10% van de netto omzet die de gedaagde na sommatie heeft aangeboden, doet geen recht aan de grote mate van populariteit en wereldwijde bekendheid van het familielid. Er is dus sprake van een onrechtmatige openbaarmaking en er wordt daarom onder meer een verbod op de verdere openbaarmaking en een schadevergoeding van € 15.000,00 en 14% van de bruto omzet gevorderd, aldus de eisers.

De gedaagde betwist dat de eiser gemachtigd is om tegen haar op te treden. Verder voert de gedaagde aan dat zij niet gehouden is om enige vergoeding te betalen omdat sprake is van een omslagfoto die ondergeschikt is aan de inhoud van het boek. De vergelijking met het beeldcitaatrecht gaat in dit geval op. Het commercieel belang van de eisers moet wijken voor het recht van de gedaagde van vrije nieuwsgaring en het recht om informatie te verstrekken. Als de eisers een redelijk belang hebben zich te verzetten tegen de openbaarmaking van de foto, geldt subsidiair dat de gedaagde tevergeefs een redelijke vergoeding heeft aangeboden, namelijk 10% van de netto omzet, en dat ook daarom geen sprake is van een onrechtmatige openbaarmaking. Deze vergoeding is redelijk omdat een hogere vergoeding het gevolg heeft dat uitgave van het boek commercieel niet haalbaar is. Bij een hogere vergoeding zouden de eisers dan ook kunnen besluiten welke boeken al dan niet op de markt verschijnen, aldus de gedaagde.

De beoordeling

- eiser is bevoegd om op te treden

Uit een door de eisers overgelegde portretrechtlicentieovereenkomst volgt dat de eiser bevoegd is om ten behoeve van de nabestaanden tegen derden op te treden die onrechtmatig gebruik maken van het portret van het familielid. Gelet hierop passeert de rechtbank het formele verweer van de gedaagde dat onvoldoende is gebleken dat de eiser gerechtigd is om op te treden tegen de gedaagde.


- geen analoge toepassing beeldcitaatrecht

De gedaagde voert aan dat het beeldcitaatrecht analoog toegepast moet worden omdat de foto van ondergeschikt belang is ten opzichte van de inhoud van het boek. De rechtbank overweegt dat het nog maar de vraag is of inzake het portretrecht het citaatrecht analoog moet worden toegepast. In dit geval kan een beroep hierop in ieder geval niet slagen omdat van een gerechtvaardigd citaat geen sprake is. De opneming van een auteursrechtelijk werk zoals een foto in de vorm van een citaat zal de grenzen van een toelaatbaar citaat te buiten gaan, wanneer op de foto, bijvoorbeeld door de omvang daarvan in vergelijking met de tekst of door de wijze van opmaak van het dagblad of tijdschrift een zodanige nadruk komt te liggen dat zij in overwegende mate de functie van versiering krijgt. In dat geval wordt de omvang van het citaat door het te bereiken doel en door het kwalitatief en kwantitatief gehalte van de tekst niet gerechtvaardigd. In onderhavige zaak is de foto afgedrukt over de volle omslag. Het is ook de enige foto in het boek. Met deze foto wordt ook volgens de stellingen van de gedaagde gecommuniceerd over wie en wat het in deze biografie gaat. Nu verder, anders dan door de gedaagde is aangevoerd, evident is dat de foto ook een versiering is die kooplustopwekkend is bedoeld, kan niet worden aangenomen dat deze portretfoto slechts een ondergeschikt onderdeel van het boek vormt. Van een gerechtvaardigd citaat is hier dus geen sprake en al daarom kan dus evenmin sprake zijn van een hiervan afgeleid recht.


- is de openbaarmaking onrechtmatig

Tussen partijen staat vast dat het met name gaat om het commerciële belang van de nabestaanden (en daarmee van de eisers), omdat geen persoonlijke privacybelangen in enge zin worden geraakt. Hierdoor heeft deze zaak veel gelijkenissen met een ander geschil dat heeft geleid tot een arrest van de Hoge Raad. In die zaak verzette iemand zich eveneens tegen het gebruik van foto’s in een boek zonder zijn toestemming. De kernoverwegingen uit dat arrest zijn ook hier van toepassing en dienen daarom ook in deze zaak tot uitgangspunt voor de beoordeling. Vooropgesteld wordt dat de Hoge Raad in dat arrest niet als een algemeen uitgangspunt heeft aangenomen dat publicatie van een foto niet zou mogen plaatsvinden zonder dat de daarop afgebeelde persoon daartoe toestemming heeft gegeven. In hetzelfde arrest heeft de Hoge Raad het standpunt verworpen dat een portretrecht aanspraak zou geven op een exclusief exploitatierecht en te vergelijken zou zijn met een recht van intellectuele eigendom.

De rechtbank zal beoordelen of de eiser een redelijk belang in de zin van de auteurswet heeft om zich tegen de openbaarmaking van de foto te verzetten. Daarbij moet het beschermde belang op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, waaronder ook commerciële belangen kunnen vallen, en het beschermde belang op vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid, tegen elkaar worden afgewogen, welke afweging met inachtneming van alle bijzonderheden van het gegeven geval ertoe strekt na te gaan welk van de betrokken belangen het zwaarst weegt.

Uitgangspunt is dat de bescherming niet beperkt is tot privé-activiteiten, maar ook professionele of zakelijke activiteiten kan omvatten. Geportretteerden (of zoals in dit geval hun nabestaanden) hoeven niet toe te laten dat hun in de uitoefening van hun beroep verworven populariteit commercieel wordt geëxploiteerd door openbaarmaking van hun portret, zonder dat zij daarvoor een vergoeding ontvangen (de verzilverbare populariteit). Het meedelen in de voordelen van deze exploitatie is een redelijk belang in de zin van de auteurswet. Bij de beoordeling van de vraag of een geportretteerde, gelet op zijn verzilverbare populariteit, belang heeft zich te verzetten tegen openbaarmaking van zijn portret kan daarom een rol spelen of hem een redelijke vergoeding is aangeboden. Of sprake is van een redelijke vergoeding hangt af van de omstandigheden van het geval.

Tussen partijen is niet in geschil dat het familielid grote bekendheid had en nog steeds heeft en daarmee ook als een publieke figuur kan worden aangemerkt. De stelling van de gedaagde dat zijn bekendheid tanende zou zijn, heeft zij niet nader onderbouwd. De rechtbank neemt dan ook tot uitgangspunt dat het familielid een verzilverbare populariteit kent.

Het standpunt van de eisers dat het boek geen nieuwswaarde heeft, wordt niet gevolgd. De gedaagde heeft namelijk terecht aangevoerd dat een biografie van een dergelijk bekende persoon altijd een zekere nieuwswaarde heeft, ook als, zoals in dit geval, het daarin vertelde verhaal niet nieuw is, maar vooral bestaat uit eerder bekende feiten. Er zijn immers mensen die de activiteiten van het familelid niet hebben meegemaakt, maar daar wel in geïnteresseerd zijn en via bijvoorbeeld een biografie daarmee bekend kunnen raken. Dat het boek eigenlijk een heruitgave is van een boek dat al sinds 1996 op de markt is, maakt dat ook niet anders. Het hoeft, als al overwogen, immers niet om actuele of nieuwe informatie te gaan. Verder gaat de rechtbank niet mee in de stelling van de eisers dat het niet nodig is om een portret van het onderwerp van een biografie op de omslag daarvan te gebruiken. Het ligt immers voor de hand dat een biografie wordt geïllustreerd met een foto van het subject van de biografie. Met het oog op de informatievoorziening zou het daarom een onwenselijke ontwikkeling zijn als het onderwerp van de biografie zich tegen (iedere) openbaarmaking van zijn portret zou kunnen verzetten. De eisers hebben ter zitting toegelicht dat de nabestaanden het vervelend vinden dat het boek zonder overleg met de nabestaanden enkele maanden voor de eerste gedenkdag van het overlijden van het familielid en diens zeventigste jubileumjaar is verschenen. De rechtbank begrijpt deze gevoeligheid. Een eventueel gebrek aan kiesheid maakt het uitgeven van het boek echter nog niet onrechtmatig. Openbaarmaking van de foto moet dan ook (in beginsel) toelaatbaar worden geacht.

Dat neemt niet weg dat het gebruik van de foto voor de omslag, tegen de achtergrond van de eerdergenoemde verzilverbare populariteit, zeker ook een kooplustopwekkend vermogen zal hebben. De eisers kunnen daarom in beginsel aanspraak maken op een redelijke vergoeding voor het gebruik daarvan. Omdat de gedaagde niet voorafgaand de openbaarmaking een redelijke vergoeding heeft aangeboden, moet worden geconcludeerd dat de openbaarmaking van de foto onrechtmatig is. Deze onrechtmatigheid is echter, anders dan de eisers hebben bepleit, onvoldoende grond om verdere openbaarmaking te verbieden. Hiervoor moet namelijk meer aan de hand zijn, zoals dat de openbaarmaking van de foto afbreuk doet aan of schadelijk is voor de reputatie van het familielid. Hier is echter niets van gebleken.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de primaire vorderingen, die immers zijn gebaseerd op het verworpen uitgangspunt dat openbaarmaking van de foto ontoelaatbaar is, zullen worden afgewezen.


- redelijke vergoeding

Omdat de openbaarmaking van de foto onrechtmatig is, is de gedaagde schadeplichtig. Voor de vaststelling van de omvang van de schade is het volgende van belang. De Hoge Raad heeft in een ander arrest overwogen dat een redelijke vergoeding zal moeten worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit deze rechtspraak volgt dat de vergoeding in ieder geval recht zal moeten doen aan de mate van populariteit of bekendheid van de geportretteerde en in overeenstemming zal moeten zijn met de waarde van het exploitatiebelang van de geportretteerde in het economische verkeer. Hierbij moet aansluiting worden gezocht bij de hoogte van de vergoeding die de eisers] hadden kunnen vragen als zij hadden ingestemd met het gebruik van de verzilverbare populariteit van het familielid. Hieruit leidt de rechtbank af dat in een geval als het onderhavige de schade moet worden gewaardeerd aan de hand van het bedrag dat zou zijn bedongen en verkregen als de eisers zouden hebben ingestemd met de uitgave van het boek met de foto.

De eisers stellen dat de schade bestaat uit een vaste vergoeding van € 15.000,00 en een variabele vergoeding van 14% van de bruto omzet exclusief BTW omdat deze vergoeding normaliter wordt betaald voor een dergelijke openbaarmaking van het portret van het familielid. Ter onderbouwing van de gevorderde schade hebben de eisers een rapport overgelegd met een overzicht van eerder overeengekomen vergoedingen. De rechtbank kan uit het rapport echter niet opmaken dat een vergoeding van € 15.000,00 en 14% van de bruto omzet exclusief BTW eerder is overeengekomen. Er is immers geen geval te vinden waarin zowel een vaste als een variabele vergoeding is overeengekomen. Verder staat in het rapport dat één keer eerder 14% van de bruto omzet als vergoeding is overeengekomen "voor de afkoop van de portretrechten in en op de voorkant van een boek en alle uitingen ter promotie van het boek, inclusief alle advertenties". Het is echter onduidelijk om hoeveel foto's het toen ging. Eveneens is onduidelijk of dit ook een biografie betreft. Zo is het voorstelbaar dat voor een biografie met een bepaalde nieuwswaarde een andere vergoeding wordt betaald dan voor een boek waarbij de nieuwswaarde minder op de voorgrond staat. Daarnaast is het de rechtbank onduidelijk onder welke omstandigheden de gestelde overeengekomen vergoeding van 14% van de bruto omzet is overeengekomen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat dreigende gerechtelijke procedures en gelegde beslagen tot geheel andere prijsafspraken kunnen leiden dan de werkelijke marktwaarde. Hier komt bij dat de gedaagde op basis van een exploitatieoverzicht heeft aangevoerd dat de uitgave van het boek verliesgevend zou zijn in het geval een vaste vergoeding van € 15.000,00 en een variabele vergoeding van 14% van de bruto omzet exclusief btw zou moeten worden betaald. Verder is het relevant dat voor publicatie van een foto geen toestemming nodig is van de daarop afgebeelde persoon. Dit betekent dat een redelijke vergoeding daadwerkelijk redelijk moet zijn en niet een omvang moet kennen die publicatie de facto alsnog onmogelijk maakt.

Conclusie

De rechtbank komt tot de conclusie dat het debat over de omvang van de door de eisers gestelde schade nog onvoldoende is gevoerd. De eiser wordt daarom in de gelegenheid gesteld haar standpunten hieromtrent nader te onderbouwen. Vervolgens wordt de gedaagde in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren waarbij het opmerking verdient dat haar stelling dat 10% van de netto omzet aan te merken zou zijn als een redelijke vergoeding niet nader is onderbouwd.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

RECHTBANK AMSTERDAM, Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/643128 / HA ZA 18-147
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 december 2018.
Bron: Linked Data Overheid.nl

Wil je weten wanneer nieuwe artikels geplaatst worden?
Schrijf je in op de nieuwsbrief en blijf op de hoogte.

enkele cases

in de media

Huffington Post
Jos Brech
sigaretten waarschuwing
Verstappen
Facebook
Gwyneth Paltrow
Bart De Wever
politie filmen
Gents voyeur
Dries Mertens
Tinder